Welke eigenschappen en factoren wenden trekvogels aan om feilloos hun weg te vinden?

De meeste natuurliefhebbers weten wel dat in het najaar duizenden vogels aan hun najaarstrek beginnen richting warmere oorden. Of dat warme oord in Afrika ligt of dat Nederland al zuidelijk genoeg is, is per soort verschillend. Roodborstjes uit Noorwegen vinden Nederland vaak al een hele goede plek om te overwinteren. Het is dan ook niet de kou die vogels doet besluiten naar het Zuiden af te reizen, maar een gebrek aan voedsel tijdens de wintermaanden. Hun interne thermometer bepaalt wanneer het tijd is om aan de reis te beginnen.

Hoe vinden trekvogels hun weg?

Uit onderzoek blijkt dat vogels meerdere eigenschappen bezitten of factoren gebruiken om hun weg te vinden. Sommige kunnen dat zelfs zo verbluffend goed dat ze jaar na jaar op dezelfde plaats terugkeren.

Naturalis Biodiversity Center verwoord hieronder heel bondig en duidelijk hoe een en ander werkt bij de vogels.

Tijdens de trektocht moet een vogel weten waar hij is en waar hij naar toe moet. Oriëntatie is de kunst van het bepalen waar je bent en waar het noorden of het zuiden is. Bij navigatie gaat het om het bepalen en bereiken van het reisdoel. Het is vrij goed bekend hoe vogels zich oriënteren, maar raadselachtig hoe ze navigeren. Trekvogels kijken naar zon, sterren, kustlijnen en rivieren. Ze reageren op het aardmagnetisch veld en gebruiken zelfs geluiden en geuren om zich te oriënteren, maar hoe ze de weg terugvinden als ze uit koers zijn geraakt, is onduidelijk.

Oriëntatie
Trekvogels gebruiken verschillende manieren om zich te oriënteren. Ze gebruiken die naast elkaar. Als de ene methode door slecht weer of andere omstandigheden niet werkt, schakelen ze over op een andere.

Zicht
Trekvogels kijken vooral naar de sterren en de zon, en ze richten zich op de sterren bij de polen, en op de plek van zonsondergang. Ze weten hoe laat het is, en aan de stand van de zon kunnen ze bepalen waar het noorden is. Sommige soorten letten ook op opvallende grote landschapselementen, die ze volgen: kustlijnen, rivieren, bergketens, snelwegen. Aan de hand daarvan stellen ze hun trekroute bij. Op bewolkte dagen kunnen vogels in een stukje open lucht gepolariseerd licht zien, in de vorm van banen die noord-zuid lopen.

Kompas
De meeste trekvogels hebben een ingebouwd kompas dat reageert op het aardmagnetisch veld. Mogelijk werkt dat kompas met bepaalde giftige cytochroomkristallen die in het oog zitten, of met stukjes magnetiet, die in de hersenen zitten. Zo kunnen vogels niet alleen bepalen waar het noorden is, maar ook waar ze ongeveer zijn.

Het aardmagnetisch veld is overal op aarde anders. Kleine verschillen in de oriëntatie van het veld hebben invloed op het gedrag, zoals bij vogels experimenteel kon worden vastgesteld. Een tapuit die werd blootgesteld aan het (kunstmatig opgewekte) magnetisch veld van het Middellandse Zee-gebied, ging bijvoorbeeld eten. Toen men het magnetisch veld van de Sahara op de vogel losliet, ging hij vliegen.

Geluid en geur
Sommige trekvogels kunnen zich ook oriënteren op geluid, bijvoorbeeld op de branding van een verre kust. Ze kunnen heel lage geluiden horen, die voor mensen onhoorbaar zijn. Deze geluiden dragen heel ver. Trekvogels maken ook gebruik van geuren. Samen met herkenningspunten in het landschap gebruiken ze die om hun eigen vertrouwde plekje terug te kunnen vinden.

Problemen bij de evenaar
Bij de magnetische evenaar kunnen de trekvogels hun kompas niet gebruiken, omdat de lijnen van het aardmagnetisch veld daar evenwijdig aan het aardoppervlak lopen. Alleen als die lijnen een hoek maken met het aardoppervlak werkt het vogelkompas. De vogels kunnen zich bij de evenaar ook slecht oriënteren op de sterren, omdat de noord- en zuidpool beide niet te zien zijn bij de evenaar. En er zijn bij de evenaar ook geen stabiele winden waar de vogels zich op kunnen richten. Het enige wat ze kunnen doen is stug in de zelfde richting doorvliegen en zich oriënteren op kustlijnen en dergelijke.

Navigatie
Over navigatie is veel minder bekend. Het is wel duidelijk dat trekvogels een ingebouwde trekrichting hebben. Die voorkeursrichting is genetisch bepaald, in Europa meestal zuidwest in het najaar en noordoost in het voorjaar. De tuinfluiter heeft eerst zuidwest als voorkeursrichting, om in Spanje te belanden, en dan zuidoost om in tropisch Centraal-Afrika uit te komen.
Steltlopers die van noordoost naar zuidwest vliegen gebruiken grootcirkels, dat is de kortste afstand over de wereldbol. Het nadeel van die grootcirkels is dan dat de kompasrichting steeds verandert. De vogels lijken er geen probleem mee te hebben.

Uit koers geraakt
Ervaren trekvogels vinden hun bestemmingsplek terug als ze uit de koers zijn geraakt. Dat is ontdekt door grauwe kiekendieven te volgen die waren uitgerust met zenders. Ze gingen weer in hun vaste trekroute vliegen, kort nadat ze er vanaf waren geweken. Jonge vogels kunnen dat niet.

Bron : Naturalis Biodiversity Center